Korte Verhalen

De laatste nacht

Ik slaak een zucht terwijl ik met mijn nagel de opgedroogde tandpasta van de tube krab. Hoe vaak heb ik niet gezegd: ‘Jan, draai de dop nu eens op de tandpasta als je als laatste naar bed gaat.’ Het lijkt ineens iets onbenulligs om je druk over te maken. 

Ik trek mijn versleten nachthemd aan. De grijze waar Jan zo’n hekel aan heeft. Of moet ik zeggen had? Op de automatische piloot was ik mijn gezicht. Drink een glas water. Zet alle flesjes en potjes op het plankje onder de spiegel voor de zoveelste keer recht. Uitstelgedrag om maar niet naar bed te hoeven gaan. Het is na eenen. Ik moet echt gaan slapen, maar hoe kan ik slapen nu de wereld plots zo anders is?

Een rilling loopt over mijn lichaam als ik over de drempel stap en naar ons bed kijk. Al ruim dertig jaar maak ik iedere ochtend, voordat we naar beneden gaan, ons bed op. Ik vind het heerlijk ‘s avonds in een strakgetrokken bed te kruipen. Ik voel een steek in mijn maag wanneer ik onze deken op een slordige hoop naast Jan zijn helft zie liggen. Zijn kussen ligt op de grond. Naast het nachtkastje met daarop zijn bril en twee ongebruikte elektroden. Stille getuigen van wat zich hier vanochtend heeft afgespeeld.

Het is maar een stuk stof, houd ik mijzelf voor, terwijl ik met trillende handen de deken recht trek en aan mijn kant van het bed ga liggen. Bewegingloos staar ik naar het plafond. Jan mopperde altijd dat ik ‘s nachts nooit stil lag. Ontelbare keren trok ik in mijn slaap de deken van hem af en werd hij midden in de nacht wakker van de kou. Ook deze ochtend was Jan steenkoud. Maar wakker worden deed hij niet. Met mijn hand raak ik voorzichtig de plek aan waar Jan vanochtend nog lag. De onmenselijke kou is weggetrokken uit het bed, maar niet uit mijn herinnering.

Dertig jaar lang lagen wij hier samen. Nu lig ik hier, voor het eerst in al die jaren, alleen. Het verbaast me dat ik hier moeite mee heb. Ik was immers nooit echt gewend geraakt aan het samen slapen. De gedachte aan twee mensen slapend naast elkaar in een bed had ik altijd wonderlijk gevonden. ‘Het is toch vreemd, Jan, dat je ‘s nachts fysiek zo nabij kunt zijn en tegelijkertijd mentaal mijlenver uiteen kunt bewegen?’ 

Jan had die gedachte nooit begrepen. Hij was geen dromer. Ik daarentegen, wist van tevoren nooit waar mijn geest mij ‘s nachts naartoe zou brengen. Terwijl ik slapend heel de wereld doorkruiste wist ik één ding zeker: Jan zou nergens heen gaan. Zowel zijn lichaam als zijn geest zouden naast mij op het kussen blijven rusten en er zijn wanneer ik wakker werd. Nu rust Jan zijn lichaam ergens in een mij onbekende la in het mortuarium. En zijn geest? Waar zou die nu zijn?

Hoewel klaarwakker, vliegt mijn geest ook deze nacht van hot naar her. Flitsen van het heden vermengen zich met het verleden. Ik draai naar mijn zij en zie de wekker verspringen naar 3:45. Jan was gek op zulke getallenreeksen. ‘Kijk Rie,’ zou hij hebben gezegd, ‘wat een mooie tijd!’

Exact vierentwintig uur geleden maakte Jan mij wakker. ‘Rie, ik voel me niet zo lekker,’ had hij gezegd. ‘Neem een paracetamol en ga toch slapen,’ was mijn antwoord. Jij en je mannengriep ook altijd, dacht ik nog. Had ik toen geweten wat ik nu weet…

Ik denk terug aan onze eerste nacht samen, jaren terug. Toen kon ik ook niet slapen. We waren een avond uit geweest met gemeenschappelijke vrienden. Het was ver na middernacht toen Jan mij, als een echte heer, met de fiets naar huis bracht. Op het moment dat hij bij mijn huis zou wegfietsen, stortte een hoosbui zich vol overgave uit de hemel. De bui leek eindeloos en Jan mocht blijven slapen. Onder één voorwaarde: handjes boven de lakens. Ik was immers netjes opgevoed. Jan viel die nacht al snel in slaap. Ik kon de slaap niet vatten. Zijn ademhaling. Zijn geur. De warmte van zijn huid. Allen deden mij vreemd aan. Deze nacht is juist het gebrek aan die dingen, wat mij wakker houdt.

Van al onze nachten samen, staan er slechts een paar in mijn geheugen gegrift. Het zijn stuk voor stuk ‘eersten’. Die eerste nacht met de hoosbui. De nacht van onze eerste zoen, al gauw gevolgd door de nacht waarin wij voor het eerst, nerveus en stuntelig, de liefde bedreven. De eerste nacht met onze pasgeboren dochter. Waarin Jan sliep en ik, met een lijf vol adrenaline, alleen maar naar het wondertje in de wieg kon staren. 

Waar ‘eersten’ vaak een onuitwisbare indruk maken, glijden ‘laatsten’ vaak onopgemerkt aan ons voorbij. Zo ook onze laatste nacht samen. Had ik maar geweten dat er nooit een volgende zou komen. Dan was ik tegen hem aangekropen en de hele nacht zo blijven liggen. Zelfs wanneer ik niet meer lekker lag. Dan had ik het snurken genegeerd en aandachtig geluisterd naar het kloppen van zijn hart. Zoals een moeder luistert naar het hartje van haar ongeboren kind. Ik zou zijn geur van zoutig zweet vermengd met vleugjes tandpasta en deodorant nog éénmaal opsnuiven en voor altijd in mijn geheugen prenten. Maar dat alles deed ik niet. Ik zei hem welterusten en weet niet eens meer of ik hem nog een kus gaf, voordat ik hem mijn rug toekeerde. 

Ik schrik op van gerinkel. Versuft draai ik mij om en voel een golf van misselijkheid opkomen wanneer mijn hand de kou en leegte naast mij voelt. Het geluid houdt aan. Het is Jan zijn wekker die een einde maakt aan een nieuwe eerste: mijn eerste nacht zonder Jan.

Delen?

You may also like...