Moet ik me zorgen maken om die vrouw bij de zwemvereniging?’. De woorden verlieten mijn mond net zo snel als de te hete hap preischotel die ik daarna in mijn mond stak. Peter keek op van zijn bord en staarde naar me alsof ik net verklaard had dat de wereld plat was. ‘Die vrouw? Waar héb je het over?’ Gevolgd door ‘Geef de appelmoes eens aan wil je, Rie?’
Peter is sinds zijn vijftigste een fervent zwemmer. De ene man koopt een snelle auto tijdens zijn midlife crisis. Peter kocht een speedo. Al zeven jaar lang vertrekken hij en zijn speedo driemaal per week richting zwembad. ‘Zo’n goddelijk lichaam onderhoudt zichzelf niet’ zegt Peet vaak voor hij vertrekt. ‘Een huwelijk ook niet’, denk ik dan steevast bij mijzelf.
Die speedo lijkt met het jaar kleiner te worden. Maar hij draagt hem met zoveel trots dat ik de woorden ‘lieverd, inmiddels zijn je buik en billen te groot en flubberig geworden voor een speedo’, niet over mijn lippen krijg. Eigenlijk zijn er zoveel woorden die ik niet over mijn lippen krijg. ‘Als je niets vriendelijks te zeggen hebt, zeg dan maar niets’ zei mijn moeder altijd. Daarom heb ik nooit gezegd dat Peet ruim dertig jaar te oud is voor de skinny spijkerbroek waar hij zich iedere ochtend in wurmt. En ook over het vettige staartje in zijn nek, dat de kale plekken en de terugtrekkende haarlijn boven op zijn hoofd met geen mogelijkheid kan compenseren, houd ik wijselijk mijn mond.
Vanmorgen vertrok Peter na het ontbijt richting zwembad. Nadat ik voor de zoveelste keer zijn koffievlekken van de tafel had gepoetst zag ik zijn uitgelubberde speedo op de hoek van de tafel liggen. De laatste tijd vergat Peter vaker dingen. Ik vroeg mij af of het de dementie van zijn vaders kant was of dat ik mij dingen inbeeldde. Ik besloot hem achterna te gaan. Met mijn fiets op standje turbo haastte ik mij met zijn speedo naar het zwembad.
Daar aangekomen draaide mijn maag zich om. Of het de aanblik was van mijn Peet naast een andere vrouw of de kledingkeus van de betreffende dame, vraag ik mij nog steeds af. ‘Peet, je zwembroek’, riep ik van een afstand, het lapje Lycra als een vredesvlag in de lucht wapperend.
‘Rie, dit is Anneke. An, dit is Rie’, zo stelde Peet de dame aan mij voor. Net als Peter droeg An haar volumineuze buik boven een te strakke skinny. Ze had haar gebleekte, stroachtige haar naar achter geschoven met een glitterdiadeem. ‘Die matcht perfect met Peet zijn kitscherige zonnebril’, schoot nog door mijn hoofd.
Alsof het de normaalste zaak van de wereld was, pakte Peter zijn zwembroek aan en zei: ‘Tijd om die spiertjes in beweging te brengen, Rie’. Samen met An liep hij richting het zwembad. Het laatste wat ik hoorde was het puberale gegniffel van An terwijl ze met mijn man door de draaideur ging. Pas halverwege de weg naar huis realiseerde ik mij dat hij me niet eens bedankt had.
Terwijl ik de volgende ochtend onze boterhammen smeerde, komijnenkaas voor Peet, fricandeau voor mij, hoorde ik hem rommelen in de slaapkamer. ‘Als hij maar niet die stapel pasgestreken t-shirts overhoop gooit’, dacht ik nog bij mezelf. Terwijl ik in dubio zat of ik de koffie al zou inschenken of niet, Peet had immers een gruwelijke hekel aan koude koffie, stapte hij de keuken in met een versleten weekendtas aan de arm. Weekendjes weg gingen we al jaren niet dus ik wist het zeker. Peet werd dement. ‘Rie,’ zei Peet, ‘je had toch gelijk. Ik ben verliefd op An. Ik denk dat het beter is dat ik ga’.
Verbouwereerd keek ik hem aan. De woorden van mijn moeder schoten door mijn hoofd. Daardoor slikte ik verwensingen in die door mijn hoofd schoten en was het enige wat ik zei: ‘Vergeet je je speedo niet?’
